De platte landschappen,
wijd en weids,
hun adem fluistert stilte,
maar schreeuwt naar mij
dat ik vreemd ben,
dat ik er niet pas.
Verre uitzichten
smelten samen met de horizon,
waar de lage hemel
zich neerlegt bij de grond,
alsof ze buigt
voor een wereld die mij vreemd blijft.
Ik kan er maar niet aan wennen.
De leegte slokt me op,
maar mijn derde oog vindt verzet.
Ik kijk omhoog en schets,
met lijnen van verlangen,
een heuvel, een berg,
een herinnering die klimt
naar de uiteinden van mijn kindertijd.
Elke wolk wordt een tafereel,
bekend en warm,
zoals de bergen die me omarmden,
zoals de heuvels die me vertelden
wie ik was,
wie ik ben.
Hier, in deze vlakke vlakte,
vind ik bergen in de lucht,
waar zonder ik niet kan bestaan.
Plaats een reactie