Alles is ontwricht in mijn binnenste
Dysmorf, drassig, droog van binnen.
Ik kan me niet losmaken van de lucht
van de nevel, gegrift in mijn ik.
Woorden wriemelen aan mijn vlees
als alfabetische aaslarven,
dansend in duistere, doelloze wonden.
Mijn botten bazelen in begraven dialecten,
en smeken me stilletjes
om terug te keren naar het ongewordene.
In mijn slaap verga ik tot stille stof,
verstrooid — vreemd aan vorm of verlangen.
Ik draag mijn zelf als een zijden schaduw,
gesneden voor een zielsleven
in een vergelegen universum
waar ik mij niet vergiste in mijn begin.
Ik voel me verkeerd verwoord,
als een gebed gevouwen
op de tong van een verstomde vadergod.
Vragen vijlen zich vast in mijn borstbeen
met de punt naar binnen.
Antwoorden blijven echo’s
van monden die verzwegen
voor ze geboren konden worden.
Plaats een reactie