Al zolang hij bestaat

Ik zweef boven hem. Dat is mijn werk, al zolang hij bestaat. Ik heb meer mensen gehad dan ik mij herinner. Maar hem herinner ik mij wel.
Hij is het soort mens dat ’s nachts wakker ligt en overdag doet alsof hij geslapen heeft. Ik ken de plek tussen zijn schouderbladen waar hij alles opslaat.
Zijn ademhaling is ondiep. Ik zie hem als kind van vijf met lang donker krullend haar. Nu een baard, diepe rimpels, halfgrijs. Het groen van zijn ogen nog steeds als vijgenblad in april.
Ik blijf bij hem. Dat is mijn werk. Wat hij denkt, weet ik niet. Misschien aan hen. Misschien aan niets. Ik zie zijn kaakspieren spannen en loslaten.
Wat er nog staat, staat scheef. Deuren die nergens meer op uitkomen. Een straat die halverwege ophoudt. Op de hoek ligt een schoen, één, de andere is er niet. Ergens brandt nog iets, maar niemand kijkt nog op van vuur. De lucht smaakt naar as en naar iets wat ooit voedsel was.
Ik zie hem knielen. Hij gaat met zijn voorhoofd tegen de grond. Daarna beweegt hij lange tijd niet. Dan laat hij zich op zijn zij vallen. Hij blijft zo liggen.
Ik zag hem ooit rennen door een vijgenboomgaard. Hij was te jong om ergens bang voor te zijn. De rijpe vruchten vielen open in de zon en wespen zoemden tussen de takken. Hij was zestien en dacht dat de wereld nog op hem wachtte. Hij had een meisje gezien. Meer was er niet nodig.
Ergens blaft een hond. Eén keer, dan stilte.
Hij komt overeind. Hij heeft de hele nacht niet geslapen.
De anderen wachten al. Ik zie ze staan in het donker: valiezen, kinderen die niet huilen, schichtige ouderen, moeders met bedekte gezichten. Het voertuig staat klaar, motor uit, geen lichten. Iemand geeft een teken. Ze stappen in zonder te spreken.
Ik blijf bij hem.
De vrachtwagen reed zonder lichten. Links en rechts lagen de donkere ruggen van heuvels. Overdag was de aarde hier geel en hard als gebakken klei geweest.
De woestijn geeft geen richting, geen horizon, alleen kou die tegelijk van onder en van boven komt. Niemand spreekt. Hij zit met zijn rug tegen de wand van de vrachtwagen, zijn knieën opgetrokken. Zijn ogen blijven gericht op het donker achter de opening van het zeil.
Ik kende hem al voor hij een naam kreeg. Ik was er toen hij geboren werd. Hij kwam blauw en stil ter wereld en iedereen dacht eerst dat hij dood was. Zelfs de kamer hield haar adem in. De vrouw die hem ter wereld bracht, hield haar handen stil boven zijn kleine lichaam. Ik hield hem vast tot hij voor dit leven koos. Niemand bewoog tot hij begon te huilen. Hij huilde zachtjes, alsof hij twijfelde of hij wel wilde blijven.
Hij valt in slaap, schrikt wakker, valt opnieuw weg. Dan neemt hij zijn hoofd in zijn armen en leunt voorover. Zo blijft hij.
Iemand reikt hem een fles aan. Hij drinkt een slok, geeft hem door. Hij eet niet, geeft zijn brood aan iemand die hem blijft aankijken.
Ik herinner mij de dag dat hij zijn dochter in zijn armen hield. Hij keek drie uur lang naar haar handen alsof hij niet begreep hoe iets zo klein kon bestaan.
Soms tast hij in zijn jaszak naar iets dat er niet meer zit.
De lijn van zijn neus naar zijn mondhoek tekent zich dieper af dan gisteren. Zijn voorhoofd blijft gespannen.
De vrachtwagen schokt over stenen en kuilen. Zijn hoofd tikt zacht tegen het metaal achter hem.
Het is dag als ze uitstappen. Een verlaten kust, geen namen, geen borden. De zee lijkt eindeloos en onverschillig. Iemand wijst naar een boot die laag in het water ligt. Hij kijkt er even naar, dan stapt hij in. Hij vraagt niets. Hij volgt de aanwijzingen op zwijgzaam en kalm.
De boot is een geraamte van hout en roest. Ze zitten dicht op elkaar, knieën tegen ruggen, schouders tegen schouders.
Ze krijgen vesten. Oranje. Versleten. Niemand vertrouwt ze.
Het water sijpelt langs de bodem maar niemand zegt iets. De motor hoest en zwijgt en hoest weer. De zee blijft eindeloos.
Ergens een beweging, dan niets. Geen kreet. Niemand draait zich om.
Er is een moment dat ik het zie. Hij kijkt naar het water op een manier die ik niet ken. Alsof hij luistert.
Dan doe ik wat ik zelden doe, ik houd hem vast. Ik breng hem de herinnering aan de eerste knopjes van een boom, de geur van brood in de vroege ochtend, de lach bij een komedieprogramma dat hij ooit zag.
Hij knippert met zijn ogen. Kijkt weg van het water. Even glijdt zijn hand naar zijn jaszak. Naar de plaats waar het ooit zat.
Aan de horizon verschenen witte huizen tegen een zwarte helling. Daarachter brandden verspreide lichten als sterren die te vroeg waren opgekomen. De anderen beginnen te bewegen, te fluisteren, iemand huilt. Een vrouw drukt haar kind tegen zich aan en sluit haar ogen. De boot gaat sneller, alsof ook zij het voelt.
Hij beweegt niet. Hij kijkt.
De boot schuurt over zand en stopt. Nacht, een verlaten strand, geen lichten. Iemand fluistert: ga, ga nu. Ze springen in het water, waden naar de kust. Hij loopt zonder te aarzelen. Ze verdwijnen het bos in, één voor één, totdat het strand weer leeg is en hun stappen in het zand door het water worden gewist.
Daarna volgen dagen die op elkaar lijken. Onbekende landen, onbekende talen, tekens die hij niet kan lezen. Hij rilt maar zegt niets. Ergens gaat een deur open, hij ziet een haard, hoort gelach, dan sluit ze zich weer. Hij loopt door.
Dan, op een ochtend die nog grijs is, ruikt hij het. De geur van brood bij dagenraad. Achter een muur, een bakker die al uren wakker is.
Hij staat stil en sluit zijn ogen.
Ik herinner mij hoe hij als kind het warme brood tegen zijn borst hield onderweg naar huis.
De achterdeur ging open. Een brede man stond in het licht. Er zat meel op zijn schort, op zijn handen, in zijn baard. Achter hem stroomde warme lucht naar buiten.
De bakker zei iets. Hij antwoordde niet.
De man keek hem een ogenblik aan en legde hem een nog warm brood in de handen.
Ik hoef hem niet vast te houden. Vandaag niet.

Plaats een reactie