Hij vond de liefde in de vorm
van een jonge knaap uit een ver land
of misschien uit zijn verlangen.
Hij zocht er schoonheid,
of wat daarvoor doorging
wanneer de avond mild was
en de ziel zich liet misleiden.
Nooit dacht hij te blijven,
zich te binden aan nabijheid.
Hij noemde het vrijheid,
die weigering zich te hechten
en niets langer vast te houden
dan nodig.
Toch was er iets
in die blik,
in die hand,
in die houding
dat hem vertraagde, bedwelmde, bezwoer.
En hij bleef.
Plaats een reactie